Vier uur gaans –
De menselijke maat van Groot-Amsterdam

Leestijd: 10 minuten

Hoe groot is Amsterdam? Die vraag speelt de stad al vele eeuwen parten, ontdekte Fred Feddes, en het antwoord getuigt van een opvallende historische continuïteit. Hij laat zien dat Amsterdam net als de steden uit de Griekse oudheid een 'chōra' heeft, die bepaalt wat er wel 'bij hoort’, en wat niet.
Haarlemmermeer en Schiphol? Ja. Leiden en Voorhout? Nee. Purmerend, Bakkum, Volendam? Ja. Alkmaar en Hoorn? Op het randje.

Onderwerpen

De term ‘Groot-Amsterdam’ klinkt altijd wat ongemakkelijk; menigeen wordt lacherig als Zandvoort bijvoorbeeld ‘Amsterdam aan Zee’ wordt genoemd. Historisch is dat ongemak te begrijpen, maar tegelijkertijd is ‘Groot-Amsterdam’ een zinvol begrip, want veel alledaagse bewegingen en activiteiten – van individuen, bedrijven, organisaties en overheden – spelen zich af in een groter gebied dan dat wat binnen de gemeentegrenzen valt. Ook deze actieradius heeft een lange geschiedenis.
Het is zinvol om het historische netwerk van Amsterdam met zijn ‘ommeland’ nader te bekijken. Niet alleen omdat deze relaties, anders dan de wereldwijde connecties van de stad, tot nu toe bijzonder weinig aandacht hebben gekregen, maar ook omdat een regionaal perspectief op de geschiedenis inspiratie of aanknopingspunten kan bieden voor de opgaven van de metropoolregio nu en in de toekomst.

Amsterdam en omgeving in de zestiende eeuw; duidelijk zichtbaar is het wankele evenwicht tussen land en water. Kaart uit 1608 naar het origineel van Joost Jansz Beeldsnyder (1575).

Twee belangrijke relaties in Groot-Amsterdam laat ik hier buiten beschouwing. In de eerste plaats is dat de ondergrond. Groot-Amsterdam ligt grotendeels op oude veengrond die in de vroege middeleeuwen is ontgonnen in een kenmerkend patroon van duizenden smalle stroken land afgewisseld met ontwateringssloten. In de stad bleef het principe bestaan, maar de sloten veranderden in grachten, de watergangen versteenden en in hun onderhoud en gebruik kon veel meer worden geïnvesteerd dan in het boerenland. Zo groeiden stad en land economisch, maatschappelijk en esthetisch uit elkaar – ook al delen ze nog altijd dezelfde natte bodemplaat en de potentie van een ooit intensief gebruikte waterinfrastructuur.
De tweede relatievorm die ik laat rusten, is die van het openbaar bestuur. Amsterdam heeft zich nooit als een bestuurscentrum tot zijn omgeving verhouden. Het regelde zijn zaken liever langs economische en informele weg dan langs lijnen van formele macht. Het was in de middeleeuwen geen feodaal centrum, is later geen provinciehoofdstad geworden, en toen het de landelijke hoofdstad werd, had dit vooral een symbolische betekenis. Twintigste-eeuwse pogingen tot het stichten van een stadsprovincie faalden jammerlijk. Zo heeft Amsterdam bestuurlijk steeds een status aparte behouden. De stad en haar omgeving wandelen en handelen samen, maar van een samenlevingscontract, laat staan een huwelijk, is het nooit gekomen.
In dit artikel richt ik me op twee andere onderwerpen: het metabolisme en het mentale domein van Groot-Amsterdam.

Metabolisme
Stedelingen hebben iedere dag eten, drinken, brandstof en vele andere goederen nodig. Een stad heeft dus belang bij een stelselmatige aanvoer van deze elementaire benodigdheden, langs vaste en betrouwbare lijnen. Dit leidt tot een existentiële relatie tussen stad en land: het ommeland is het gebied dat de stad voedt, verwarmt en verzorgt. Met een knipoog naar de filosoof Ludwig Feuerbach kun je stellen: 'Die Stadt ist was sie ißt.'
De stofwisseling of het ‘metabolisme’ van de stad krijgt de laatste jaren veel aandacht. Het roept actuele vragen op: hoe kunnen steden duurzaam in hun levensbehoeften blijven voorzien? Het biedt ook een nieuwe invalshoek op de stadsgeschiedenis. Het model van de Duitser Johann Heinrich von Thünen uit 1826 biedt daarvoor een goed aanknopingspunt.
Von Thünen beredeneerde welke producten het best op welke plaats in de omtrek van een stad kunnen worden verbouwd, op basis van economische factoren als grondprijzen, opbrengsten en transportkosten. Hij vatte het samen in een schema met concentrische ringen.
De binnenste ring, het dichtst bij de stad, is geschikt voor verse, bederfelijke producten die snel naar de stad moeten, met name melk, fruit en groente. Van verder weg komen brandstof, houdbare voedingsmiddelen zoals graan, en vleesvee.
Het model was zo eenvoudig dat Von Thünen zelf al een complexere variant uitwerkte die de werkelijkheid dichter benaderde. Zijn eerste model ging uit van één vorm van transport, over land, waarbij de kosten recht evenredig stijgen met de afstand. Maar in werkelijkheid wordt bijna iedere stad ook bediend door vervoer over water, waarvan de kosten tot wel veertig keer lager zijn dan bij vervoer over land.
Het betekent dat een product dat honderden kilometers per schip heeft gereisd, kan concurreren met hetzelfde product dat een handvol kilometers over land is vervoerd. Dat is het geval bij riviersteden als Wenen of Parijs, en nog sterker in de Nederlandse delta die dooraderd is met waternetwerken. Het overzichtelijke cirkelmodel wordt dan volledig uit elkaar getrokken.

De economische relatie tussen stad en ommeland, volgens het model van Johann Heinrich von Thünen in zijn boek ‘Der isolierte Staat’ (1826).

In de Amsterdamse geschiedenis zijn sommige Thünense ringen goed te herkennen. Eeuwenlang zijn in of vlak buiten de stad groente en fruit verbouwd. Bij iedere stadsuitbreiding schoven de tuinderijen op naar de nieuwe stadsrand. Nog in 1895 fotografeerde Jacob Olie kwekers in de Pijp, en in 1916 was er een rijke komkommeroogst ter hoogte van de huidige Gerrit van der Veenstraat.
Pas met de bouw van Nieuw-Sloten verdween in 1990 het laatste tuinbouwgebied bij Amsterdam (en kort erna klonk al de roep om terugkeer van de stadslandbouw). Verse dagmelk kwam eeuwenlang onder meer uit Waterland en Oostzaan, iedere ochtend opnieuw, dankzij een uitgekiend logistiek systeem. Ook deze korte aanvoerlijnen legden in de twintigste eeuw het loodje.

Melkschuiten uit Waterland steken het dichtvriezende IJ over om de stad van verse zuivel te voorzien, tekening Hendrik Vettewinkel (1836).

Andere levensmiddelen legden grotere afstanden af. Turf kwam uit Groningen, Friesland en Drenthe. Graan werd al vanaf de dertiende eeuw uit het Oostzeegebied geïmporteerd. Drinkwater werd verscheept vanuit het Gooi en de Haarlemmermeer, of vervangen door het kwalitatief veiliger bier, dat ook al vroeg van overzee werd aangevoerd, vooral uit Hamburg.
De vleesproductie was een vreemde eend in de bijt; de ossen voor Amsterdam en de VOC graasden vier jaar lang in Denemarken en kwamen in hun vijfde jaar naar Holland gelopen om daar nog even te worden vetgemest en dan geslacht. Hier speelde, bij uitzondering, het watertransport een ondergeschikte rol.
Het metabolische netwerk van Amsterdam strekte zich dus al vroeg uit over een groot deel van Europa. Dat begon uit noodzaak, vanwege het beperkte aanbod in de directe omgeving, maar het legde ook de basis van een fenomenale handelsmacht. Immers, als Amsterdamse schepen toch voortdurend heen en weer reisden om graan en bier voor eigen gebruik te halen, konden ze net zo goed extra graan en andere producten vervoeren om ze te verhandelen. Het gemak waarmee de food miles van de Amsterdamse consument zich opstapelden, was in zekere zin een voorbode van het huidige mondiale voedselsysteem.
De keerzijde was een zwakke verzorgingsrelatie van Amsterdam met zijn directe ommeland. Er was geen sprake van een gesloten economisch systeem à la Von Thünen. De handelsmacht Amsterdam leefde in veel opzichten langs de directe omgeving heen, terwijl ook het ommeland niet per se aan Amsterdam was gebonden.
Zuivelboeren die te ver van de stad woonden om dagmelk te leveren, specialiseerden zich in houdbare zuivel zoals boter en kaas, en verhandelden die op de kaasmarkt van Alkmaar. Beverwijkse tuinders verkochten hun aardbeien even lief aan Engeland en Duitsland als aan Amsterdam. En de huidige tuinbouw van Aalsmeer bestaat niet bij de gratie van Amsterdam maar van Schiphol. Niet de plaats- of regio-gebonden relaties domineren, maar de markt.

Chōra
Tot zo ver de economie; hoe zit het met de beleving van Groot-Amsterdam? Deze kan pas aan de orde komen wanneer in de stoffelijke behoeften is voorzien, en dus begin ik bij de beleving door de bevoorrechte Amsterdamse elite, om pas gaandeweg andere groepen in het vizier te krijgen.
Toen de dominantie van Amsterdam eenmaal was gevestigd, kon de stad het omringende land naar haar hand zetten. De Amsterdamse jurisdictie gold in een strook rond de stad die was afgebakend met ‘banpalen’ op zevenenhalve kilometer van de Dam.
Om het eigen bestaan te veraangenamen en de stank van de stad in de zomer te ontvluchten, bouwde de elite honderden buitens in het ommeland. Hun locatie was niet willekeurig; de spreiding van de buitenplaatsen onthult het mentale territorium van Amsterdam , en legde een contour vast die eeuwen later nog herkenbaar is. Met als sleutelvraag: wat hoort gevoelsmatig bij Amsterdam?
Voor het antwoord is het begrip chōra verhelderend, dat Marc Glaudemans in Amsterdams Arcadia (2000) aan de oude Grieken ontleent. Zij verdeelden het territorium van de Griekse stadsstaat in drie cirkelvormige zones. Rond de compacte benedenstad, asty, ligt de suburbane zone, asty-geitōn, en daar voorbij ligt een buitenring met een straal van ruim vijftien kilometer, de chōra.
Ook al lijkt de chōra een landelijk gebied, het hoort als een ‘extra-urbaan territorium’ onmiskenbaar bij de stad. Aan de uiterste rand van de chōra bouwden de Grieken religieuze heiligdommen. Ze waren zo geplaatst ‘dat ze nog te zien waren vanaf de hoogte van de stedelijke burcht, zodat men vandaar de gehele omvang van de staat kon overzien’.
En dat, zo ontdekte Glaudemans, was ook het geval in het Amsterdam van de zeventiende en achttiende eeuw. Hij trok op de kaart een cirkel met een straal van circa twintig kilometer om de stad, een afstand die ‘bij gunstig weer visueel te overbruggen [was], zodat men, terugkijkend naar de stad, de torens kon herkennen’.
De grote concentraties van buitens lagen nog juist binnen de grens van deze Amsterdamse chōra: langs de Vecht, bij ’s-Graveland, in de Beemster en aan de binnenduinrand van het Kennemerland.

Het mentale domein van Amsterdam, schematisch weergegeven op de omslag van Marc Glaudemans’ boek ‘Amsterdams Arcadia’ (2000).

De relatie met de stad was treffend te zien bij het huis Meerestein aan het Wijkermeer. Het had een omsloten tuin met als enige opening een triomfboog die precies het uitzicht omlijstte op de Westerkerk, twintig kilometer verderop .
Waar de oude Grieken heiligdommen oprichtten om de buitengrens van de stadsstaat te markeren, daar bouwden de Amsterdammers lusthoven. Vanuit deze buitenplaatsen werd het ommeland cultureel gekolonialiseerd.

Bezoekers van de hofstede Meerestein bij Beverwijk bewonderen de tuin. Een bijzondere attractie is de triomfboog waarin bij helder weer de Westertoren, twintig kilometer verderop, te zien is. Prent Hendrik de Leth (circa 1729).

Wat de kaart van de Amsterdams chōra zo treffend maakt, is dat dit mentale domein nog altijd herkenbaar is. Er is sindsdien veel veranderd, maar steeds opnieuw duikt de maat van de chōra op, in nieuwe betekenissen en gedaanten. Bijvoorbeeld in de bloei van railway suburbs aan het einde van de negentiende eeuw.
Kleine dorpen op de zandgrond van ‘t Gooi en de duinen, zoals Bussum, Bloemendaal en Heemstede, kregen een spoorverbinding en dijden uit tot gerieflijke forensenplaatsen – ze vallen allemaal binnen de chōra-ring. Later volgden groeikernen als Hoofddorp, Purmerend en Almere.
Ook de Stelling van Amsterdam, bedoeld om in geval van oorlog een belegering van een half jaar te overleven, varieerde op de maat van de chōra. Deze militaire ring heeft onlangs een tweede leven gekregen als Werelderfgoed en als recreatieve structuur, ‘een langzame buitenring in de snelle metropool’. De beleving die vroeger alleen voor de elite was weggelegd, is gedemocratiseerd.

De Stelling van Amsterdam was een ingenieuze, cirkelvormige waterlinie die in geval van oorlog de vijand enkele maanden moest kunnen weerstaan. Links een inundatiekaart uit 1914, rechts een schematische weergave uit 2001 van het plan van H+N+S.

Aan de hand van de chōra kan iedereen zelf overwegen waar de mentale grenzen van Groot-Amsterdam liggen. Wat ‘hoort’ er wel bij, en wat niet? Een groot deel van de Haarlemmermeer wel, inclusief Schiphol, maar Voorhout en Leiden niet. Purmerend, Haarlem en Bakkum wel, terwijl de positie van Alkmaar en Hoorn ambivalent is.
Almere hoort erbij, al ligt het eigenlijk iets te ver. Langs de Vecht ligt de grens bij Breukelen, in het oosten horen het Naardermeer en Hilversum er nog wel bij maar Amersfoort niet. Het zijn subjectieve inschattingen, die toch verrassend veel houvast krijgen van het chōra-model.
In de twintigste eeuw is geprobeerd dit mentale domein in operationele vorm te gieten. Zo stelde Cornelis van Eesteren het ‘stadsgewest’ voor als onderwerp van regionale planning, en opnieuw kwam de maat van dit gewest vrijwel overeen met de chōra.
Door de eeuwen heen is kennelijk het globale besef van wat bij Amsterdam ‘hoort’ een intuïtieve of tentatieve constante, die zozeer vanzelf spreekt dat ze niet uitvoerig hoeft te worden verantwoord.

De stedenbouwkundige Niek de Boer stelde in zijn boek ‘De Randstad bestaat niet’ (1996) voor om Amsterdam en omstreken te behandelen als een afzonderlijk ‘grotestadsgewest’.  

Misschien komt het wel doordat de maat van de chōra lichamelijk en zintuiglijk is. Naast de zichtbaarheid is ook de reistijd relevant. De afstand van de rand naar de kern bedroeg te voet maximaal ‘vier uur gaans’ en de trekschuit deed er een uur korter over.
Als het nodig was kon je dus binnen een dag heen en weer reizen naar de stad. Ook al reizen we nu sneller, de loopervaring blijft wellicht nog altijd, als een antropologische constante, in onze motoriek en onze ruimtebeleving ingebakken.
Zoals de architect Mart Stam ooit opmerkte: ‘De deur is twee meter hoog – we weten waarom’, zo kan ook de maat van de chōra aan het menselijke lichaam worden gerelateerd: ‘De chōra heeft een straal van krap vier uur gaans – we weten waarom.’

Het volgende landschap
De Metropoolregio Amsterdam staat in de 21e eeuw voor grote en dringende opgaven: energietransitie, klimaatadaptatie, bodemdaling, wateropgave, regionale voedselvoorziening, leisure en toerisme, en de schijnbaar onstilbare honger naar nieuwe woningen. Elk ervan is op zichzelf al ingrijpend en ze verdringen elkaar op een reeds intensief gebruikt gebied dat uit kwetsbare en hoog gewaardeerde historische landschappen bestaat.
Om deze megaverbouwing van Groot-Amsterdam tot een goed einde te brengen is dan ook een behoedzame, sensitieve en gecoördineerde aanpak vereist. Hieruit ontstaat in de komende decennia ‘het volgende landschap’, zoals het motto luidde van de Landschapstriënnale 2017.
Voor de uitwerking van deze opgave zijn tal van innovaties nodig, maar het loont om ook het kennisreservoir van de geschiedenis te raadplegen. Niet uit nostalgie, maar omdat er in het verleden praktische oplossingen zijn gevonden, die ook actueel zijn voor de eisen en noden van morgen. Dat geldt sterk bij de energietransitie die slechts kan slagen als we ons energiegebruik zoveel mogelijk verminderen, en dus terugkeren naar een energieniveau dat voorheen gangbaar en leefbaar was.
Ook voor de regionale voedselvoorziening, de afvallogistiek, de waterhuishouding en de infrastructuur kunnen we de kennisbank van het verleden aanspreken. Dat de Groot-Amsterdamse chōra al eeuwenlang een overtuigende waarde heeft voor de beleving van zijn bewoners, is een aansporing om ook in de toekomst de belevingswaarde van het landschap een cruciale rol te geven, op zijn minst gelijkwaardig aan de economische waarde.
Deze belevingswaarde begint op een elementair lichamelijk en zintuiglijk niveau: de kwaliteit van de metropoolregio bewijst zich pas echt aan wie zich langzaam genoeg beweegt – lopend, fietsend, of opnieuw glijdend over het water. Hier vinden we een tijdloze basis voor de wispelturige metropool.

Camping Bakkum is al generaties lang een zomerse dependance van Amsterdam. Aanvankelijk vooral volks, later kwam daar de gentrificatie bij. Ansichtkaart circa 1971.

Deze tekst is gebaseerd op het ongeveer tien keer langere essay ‘1000 jaar Groot-Amsterdam’, dat in detail ingaat op de verschillende aspecten van de relatie tussen Amsterdam en zijn ommeland en dat voorzien is van noten en literatuurverwijzingen. Het essay zal te zijner tijd als boekje worden uitgebracht.

Filter op onderwerp